Buckethead (Deel 1) – Monsters and Robots (1999), Colma (1998) & Bermuda Triangle (2002)

Na wat aandacht aan nieuwe relatief grotere releases te hebben besteed leek het me wel leuk om nu een wat minder bekende artiest onder de aandacht te brengen. Brian Patrick Carroll, beter bekend als Buckethead, is een bijzondere verschijning onder de gitaarvirtuozen. Hij draagt letterlijk een KFC bucket op zijn hoofd en heeft zijn gezicht altijd bedekt met een masker. Volgens de legende zou Buckethead zijn opgegroeid in een kippenhok en zou hij om zijn verwondingen te verbergen een masker op hebben. Het draagt allemaal bij aan het mysterieuze sfeertje dat om zijn persoon heen hangt. Buckethead wordt zo goed als nooit zonder masker gezien, geeft zelfden interviews en toert uitsluitend in de VS. Zelf heb ik zijn muziek vooral leren kennen via een vriend die al een tijdje fan is  en hij heeft me hierin aangestoken.

Buckethead heeft met de nodige artiesten samengewerkt zoals Les Claypool & Brain (Primus), Serj Tankian (System of a Down) maar het meest bekend is misschien wel zijn (korte) deelname aan Guns N’ Roses. Daarnaast heeft hij solo maar liefst 309 (!) studioalbums uitgebracht in verschillende genres, metal, funk, hiphop, blues, avant-garde en alles wat daar tussenin zit. Het grootste deel hiervan bestaat uit ‘Pikes’, relatief korte albums die hij in eigen beheer uitbrengt. In dit artikel komen drie oudere albums op grotere labels aan bod, elke laat weer een andere kant van Buckethead horen.

Monsters and Robots (1999)

Genre: Experimental Rock/Alternative Metal

Eerst maar eens beginnen met ‘Monsters and Robots’, het bestverkochte album van Buckethead. Het schijnt één van zijn toegankelijkste platen te zijn, maar in het geval van Buckethead zegt dat niet zoveel. Je wordt mee op reis genomen naar een bizarre wereld vol chaos en verwarring, door hemzelf ook wel Bucketheadland genoemd. Wat kun je hier verwachten? Veel maar ook echt heel veel gitaar gefreak, stevige jams en niet echt voor de hand liggende nummers. Er zijn een aantal gastbijdragen op ‘Monsters and Robots’. Zo spelen Les Claypool en Brain (Primus) mee maar ook Bootsy Collins spreekt wat teksten in. Spreken inderdaad, want er wordt niet echt gezongen (Claypool draagt zijn tekst op ‘The Ballad of Buckethead’ op zijn kenmerkende manier voor). Op een aantal spoken word stukken na is het album instrumentaal.

Er zijn een aantal type nummers te vinden op ‘Monsters and Robots’ Als eerste de wat meer stevige nummers waarop Buckethead’s gitaarspel centraal staat. Met ‘Jump Man’ gaan we meteen vet van start met een snoeiharde riff en veel solo’s. Het lijkt een beetje over Buckethead’s mindset te gaan, altijd oefenen en ontwikkelen om verder te komen en beter te worden. Alsof hij meteen in het eerste nummer moet bewijzen wat hij allemaal in huis heeft. Missie geslaagd. ‘Night of the Slunk’ bouwt een beetje verder door op de riff van ‘Jump Man’ maar is dan wat minder opgefokt. Een wat beter te volgen nummer met een toffe solo op het einde. Op ‘Jowls’ gaan alle remmen los. Een enorm gesjeesde trip door Bucketheadland volgt waarbij alles uit de trukendoos wordt gehaald. Het nummer komt in eerste instantie wat chaotisch over maar steekt toch eigenlijk wel knap in elkaar. Dit nummer en ‘Scapula’ zijn overigens herbewerkingen van Giant Robot nummers, een van de bands waarin Buckethead heeft gespeeld. Laatst genoemde nummer heeft een aantal heavy riffs en een nogal spooky einde.

Who me? I’m not afraid to die

I just don’t want to show up when it happens, baby

Uit ‘The Shape Vs. Buckethead

Daarnaast zijn er een aantal songs met Claypool op basgitaar en Brain op drums. Alhoewel deze nummers veel doen denken aan het werk van Primus, is de invloed van Buckethead voldoende aanwezig om er zijn eigen draai aan te geven. Zo heeft ‘Stick Pit’ lekkere riffs en drumwerk en is in ‘Stun Operator’ ruimte voor Claypool om zijn basgitaar te laten shinen. ‘Revenge of the Double-Man’ en ‘Nun Chuka Kata’ doen wat moderner aan door de toevoeging van turntables. Stuk voor stuk zijn het lekkere jams waarop Buckethead zijn kunsten kan vertonen maar toch genoeg ruimte voor andere instrumenten laat. In ‘The Ballad of Buckethead’ vertelt Claypool het verhaal over Buckethead’s jeugd op zijn kermerkende manier. Of het waar is of niet laten we maar in het midden, maar het zorgt in ieder geval voor een dikke track en een fascinerende tekst. Vette solosectie ook trouwens. Rond de periode dat ‘Monsters and Robots’ uitkwam speelde Buckethead in het voorprogramma van Primus en werd dit nummer vaak samen gespeeld als onderdeel van Primus’ liveset. De Japanse bonustrack ‘Remote Viewer #13’ is ook met Brain en Claypool gemaakt en had prima op het reguliere album kunnen staan.  

Videoclip voor ‘The Ballad of Buckethead’

Tot slot zijn er nog een aantal wat meer experimentele nummers met Bootsy Collins. ‘Sow Thistle’ heeft een nogal eigenaardige beat met veel dikke riffs en gitaar gefreak. Daarover heeft Collins het over de onbevattelijkheid van het leven. Niet alleen dat is lastig maar ook dit nummer heeft een beetje tijd nodig om te landen maar steekt wel knap in elkaar. ‘Who Me?’ is een kort stukje akoestische gitaarmuziek maar met een hele vreemde sfeer. Op zich niet heel bijzonder, maar er zit toch wel iets duisters in wat de spanning op het album verhoogt. Enorm onheilspellend is de hiphop track ‘The Shape Vs. Buckethead’, het lijkt wel alsof je in een nachtmerrie terechtgekomen bent.

He was born in a coop, raised in a cage

Children fear him, critics rage

He’s half alive, he’s half dead

Folks just call him Buckethead!

Uit: ‘The Ballad of Buckethead’

Monsters and Robots lijkt een groot deel van Buckethead’s diversiteit te vatten in één album. Het vliegt echt alle kanten op en ik vond het in eerste instantie niet echt een makkelijk album om in te komen. In eerste instantie lijken de nummers weinig kop en staart te hebben en vooral de ruimte te geven aan Buckethead’s gitaarspel, maar na wat meer luisterbeurten begin je de rode draad steeds beter te herkennen. Ik vond dat Primus al bizarre muziek maakte, maar de nummers met Brain en Claypool zijn op dit album eigenlijk vrij normaal in vergelijking met de andere nummers.  

Is dit de ideale instapper om iets van Buckethead’s muziek te leren kennen? Wat mij betreft wel, maar ik ken nog maar zo weinig van de man dat er vast mensen zijn die daar anders over denken. Monsters and Robots is in ieder geval een lekkere fascinerende plaat voor als je je wilt onderdompelen in het nodige gitaargeweld en bizarre jams.

Colma (1998)

Genre: Acoustic Rock/Ambient

Weer compleet anders is het album ‘Colma’. Hier geen gesjeesde composities of eindeloos gefreak op gitaren. Buckethead gaat hier voor een rustige aanpak, haast een beetje easy listening. Dit klinkt misschien een beetje denigrerend maar zo bedoel ik het zeker niet, want het album stikt van de emotie en is zelfs wat spiritueel. De sfeer op’ Colma’ is dromerig, hoopgevend en af en toe mysterieus. In de quarantaine waarin we vooral thuis zitten vind ik dit ideale muziek om lekker in de tuin te draaien of in de avond met zicht op de ondergaande zon. Je doet je ogen dicht, laat alle negativiteit even voor wat het is en je geeft je over aan muziek. Het is ongelofelijk relaxed maar ook muziek waar ik veel steun uit haal en een beetje mentaal bij op kan laden.

De basis op het instrumentale ‘Colma’ is dus vrij basic. Buckethead speelt voornamelijk akoestische gitaar, met elektrische gitaar ter ondersteuning en er zijn maar een beperkt aantal gitaarsolo’s. Daarnaast is de basgitaar puur op de achtergrond en hebben veel nummers een basic drumtrack die in de meeste gevallen door Buckethead’s vriend Brain (Primus) is gespeeld. Buckethead schreef het album voor zijn moeder die op dat moment ziek was en wilde muziek maken waarop ze zou kunnen herstellen. ‘Colma’ is vernoemd naar een klein dorpje in Californië met zoveel begraafplaatsen dat het aantal levende mensen veel malen lager is dan het aantal graven. De kwetsbaarheid van het leven lijkt hiermee als een thema te dienen voor de muziek, iets dat het spirituele karakter versterkt.

Albumopener ‘Whitewash’ is relaxed en heeft mooie gitaarspel met delay effecten. Sfeervol en kalm, een goede voorbode voor wat komen gaat. ‘For Mom’ is nog een stukje beter en is één van de hoogtepunten van het album. Letterlijk voor zijn moeder geschreven heeft dit nummer een sterke opbouw en subtiel akoestisch gitaarspel. Het drumwerk van Brain is ook erg fijn.  ‘Ghost’ is heel dromerig en vormt de ideale late avond muziek om je gedachten op te laten varen.

‘Hills of Eternity’, vernoemd naar één van de begraafplaatsen in Colma, is een wat meer voortkabbelend stukje muziek. Wel is het hoopgevend en geruststellend, misschien wel het meest feel good nummer van de plaat. ‘Big Sun Moon’ is een korte intermezzo met knap gitaarwerk met een delay pedal (gitaareffect) en had best langer uitgewerkt mogen worden. Buckethead speelde het vaak als onderdeel van zijn gitaarsolo toen hij in Guns N’ Roses zat. ‘Machete’ is wederom een hoogtepunt waarop dan toch even gesoleerd wordt. Geen krachtpatserij maar subtiel en emotioneel, dat geeft dit dromerige en mysterieuze nummer nog net even dat beetje extra.

Op ‘Wishing Well’ vinden we deze keer geen percussie, maar puur gitaren en bas. Het is daardoor even wat puurder dan de meeste nummers met tevens subtiele solo’s. Overigens is dit een herbewerking van het nummer ‘Danyel’ van een album samen met Brain waarop Buckethead zelf zingt. Hoewel de man geweldig gitaar speelt gaat zingen hem niet zo goed af waardoor deze versie absoluut een verbetering is. ‘Lone Sal Bug’ wordt ondersteund door cello en viola maar is helaas net wat te voortkabbelend om echt goed te zijn. Er wordt even met de sfeer gebroken met ‘Sanctum’. Een jam waarbij de basgitaar meer ruimte krijgt en lekker gesoleerd wordt. Het zorgt voor een beetje afwisseling tussen de rustige stukken.

De laatste vier nummers zijn een stukje stemmiger. ‘Wondering’ brengt de cello en viola even terug en dit keer met meer succes. Een kort nummer met een treurige ondertoon. Ontroerend is ‘Watching the Boats with My Dad’ dat gevoelens van heimwee naar een gelukkige jeugd oproept. Sober en puur, alleen een akoestische gitaar zorgt ervoor dat dit een emotioneel hoogtepunt is. Ook ‘Ghost/Part 2’ bestaat enkel uit akoestische gitaar en borduurt voort op het eerste deel van ‘Ghost’. Juist door die soberheid van één gitaar is dit deel eigenlijk nog wel een stukje mooier dan het eerste. Het titelnummer sluit het album op een mysterieuze manier af. Wederom enkel een gitaar en er wordt optimaal gebruik van dynamiek gemaakt in zijn gitaarspel. Het nummer lijkt over de dood te gaan, onzeker maar ergens toch ook wel weer rustgevend. Een gevoel van ‘je hoeft niet bang te zijn, alles komt wel goed’.

‘Colma’ bevat dan wel niet het vuurwerk en het extreme van ‘Monsters and Robots’, het maakt het voor mij niet een minder interessant album. Deze minimalistische muziek zit vol met emotie en laat Buckethead op zijn gevoeligst horen. Voor mij is het enorme uplifting muziek waarbij je ook goed kunt ontspannen. Het helpt me echt door deze coronacrisis heen te komen en positiever in het leven te staan waardoor dit album veel voor mij is gaan betekenen. Van de Buckethead albums die ik ken, dat is natuurlijk nihil met zo’n discografie, bevalt me deze tot nu toe het beste. Zeker een aanrader voor mensen die houden van akoestische en rustige muziek en wel wat licht in deze donkere tijden kunnen gebruiken.

Bermuda Triangle (2002)

Genre: Experimental Rock/Electro/Hip Hop

Waar ‘Monsters and Robots’ al een bizarre inkijk gaf in de wereld van Buckethead gaat ‘Bermuda Triangle’ nog een stapje verder. Een instrumentaal conceptalbum over de rampen en verdachte verdwijningen binnen de bermuda driehoek, ga er maar aanstaan. Ook is het meer een hiphop/avant-garde achtige plaat in tegenstelling tot het meer rockende ‘Monsters and Robots’. Er is dus meer ruimte voor beats en elektronische muziek waardoor de gitaar voornamelijk ondersteunende partijen speelt en kan soleren.  Op ‘Bermuda Triangle’ krijgt Buckethead hulp van producer en DJ Extrakd met wie hij samen de nummers schreef en de meeste muziek speelt.

Wat meteen opvalt is dat ‘Bermuda Triangle’ behoorlijk fragmentarisch is. Maar liefst 18 tracks (intro niet meegerekend) die gemiddeld rond de 2 minuten klokken. De meeste nummers zijn niet op zichzelf staand en zijn meer een soort soundscapes om bepaalde sferen te creëren. Daardoor werkt album eigenlijk het beste als je hem in zijn geheel luistert en je moet er ook wel een beetje voor in de stemming zijn. Bij mij heeft ie wel wat luisterbeurten nodig gehad om een beetje te landen en ik kan er niet te veel naar luisteren, maar op zijn tijd is het wel een leuke muzikale reis die je maakt.

Helaas staat ‘Bermuda Triangle’ niet opp Spotify, maar is hij wel op YouTube te vinden

Het ‘Intro’ en ‘Davy Jones Locker’ zetten direct de toon, je weet meteen dat dit toch niet de ideale achtergrondmuziek is voor als je familie op bezoek komt. Echt gerockt wordt er eigenlijk alleen op ‘Flight 19’ waar ook Brain (Primus) op mee drumt. Lekkere riffs, maar het heeft verder weinig om lijf mede door de korte speelduur. ‘Mausoleum Door’ is wat dat betreft wat representatiever voor de muziek op het album. Een dikke hiphopachtige track met halverwege een toffe break.

‘Sea of Expanding Shapes’ is een van de weinige echt volwaardige nummers. Een mooi rustig nummer met akoestische gitaar dat qua stijl op ‘Colma’ had kunnen staan maar dan met een lichte hiphop touch. Zonder twijfel een van de favoriete nummers van het album. ‘The Triangle (Part 1): Extrakd’ daarentegen is complete gitaar noise en niet door te komen. Gelukkig duurt ie maar een minuutje. De volgende drie tracks (‘Bionic Fog’, ‘Forbidden Zone’ & ‘Telegraph Land of the Crispies’ zijn wat meer duistere hiphop tracks en bouwen qua sfeer op elkaar door. Als nummers niet heel sterk maar de sfeer is wel tof.

Vervolgens komen er drie electronic nummers (‘Pullin’ the Heavy’, ‘Jabbar on Alcatrazz Avenue’ & ‘BEESTRO Fowler’) waarover eigenlijk hetzelfde gezegd kan worden als over de hiphoptracks. Het draait voornamelijk om de sfeer. ‘Phantom Lights’ vormt hierop een uitzondering, dit nummer is een lekkere funky jam met meer ruimte voor bas- en gitaar. Wat mij betreft een van de betere fragmentarische nummers. Met ‘Splintered Triplet’ en ‘Whatevas’ krijgen we weer twee hiphopachtige nummers voorgeschoteld. Deze zijn een stuk geslaagder doordat in de eerst genoemde track gitaar en beats perfect met elkaar samen gaan en de tweede track een lekkere beat en mooie akkoordwisselingen heeft.

Aan het einde van het album zijn vier meer spooky tracks. ‘Sucked Under’ is eigenlijk meer een geluidscollage dan een echt nummer, een beetje avant-garde achtig en vrij experimenteel. Wat een intense sfeer! ‘Isle of Dead’ brengt duistere beats en onheilspellende gitaarpartijen samen. En dat werkt eigenlijk best wel goed, dit is toch wel een van de leukere nummers. ‘The Triangle (Part II)’ is puur gitaar en wat minder pakkend als track. Het album sluit af met het kalme luchtig lijkende ‘911’, terwijl dit nummer vlak na de aanslagen van 11 september 2001 is opgenomen. Eigenlijk als een soort anthem voor de wereld die in de brand staat, als Buckethead nog één keer zou kunnen shredden was dit zijn laatste wapenfeit. Dat zet het nummer toch een beetje in een ander daglicht.

Voorbeeld(opent in een nieuwe tab)

Is het een geslaagde plaat? Ik vind voor een deel van wel. Het is een interessant thema en een bijzondere uitdaging om een conceptalbum zonder teksten te maken. Het gaat in dit geval duidelijk om het totaal plaatje en minder om individuele tracks waardoor ik niet snel een los nummer op zal zetten. Niet alles op ‘Bermuda Triangle’ is even goed, maar toch, toch blijft het een boeiende trip als je er voor in de stemming bent.

Plaats een reactie

Ontwerp een vergelijkbare site met WordPress.com
Aan de slag